Waarom altijd het hoerige type?

Vaak doe ik het niet, maar de keren dat ik wel door een boekwinkel schuifel, verlaat ik het pand geïnspireerd. Ook gister. Wat wil je, luxe uitgevoerde boeken over David Bowie lachten me – met de aankomende expositie in het Groninger Museum in gedachten – al verleidelijk toe vanuit de etalage van Van der Velde aan de Grote Markt. Maar thuis wacht nog een stapel boeken die maar tergend langzaam kleiner wordt.

Op de middelbare school wekte mijn leeskeuze de verwondering van leraressen. Voor Engels las ik Oscar Wilde, voor Nederlands Simon Vestdijk. Dat bleek een zeldzaamheid op een school die voorbereidde op economisch en administratief werk. Werk dat ik geenszins ambieerde. Schrijven wilde ik. En gitaar spelen in een band. Vestdijks roman Terug Tot Ina Damman leverde me een dienst door de naam van mijn eerste echte bandje aan te reiken: Windischgrätz. Maar de Friese Vestdijk (1898-1971) schijnt amper nog te worden gelezen.

Zodra een schrijver dood is, leeft de handel nog even op. Maar de grote poster waarop Joost Zwagerman nu de boekhandel inkijkt, zal over een tijdje voorgoed verdwijnen. Verba volant scripta manent zeiden de Romeinen. Maar wie schrijft die blijft is een illusie. In een hoekje op de bovenverdieping prijkt momenteel het debuut van Bill Mensema. Voor de spotprijs van een biertje kan iedereen zich dankzij Doem Dada urenlang vermakelijk onderdompelen in de jaren tachtig. Voor 2,50 euro. Ondertussen is Mensema, net als schrijver Ronald Ohlsen in Delfzijl geboren, toe aan al weer een boek: Boem! Roman over liefde en aardbevingen.

De vastberadenheid waarmee de vijftiger zich op het schrijven heeft gestort, is mooi. Zoals het ook mooi is hoe de Groninger Karel ten Haaf maar blijft doorgaan met het uitbrengen van zijn werk. Het gebeurt in de marge, zonder dat het grote publiek er weet van heeft. Maar het gebeurt. Het zijn volhouders en lui die het helemaal niet doen om een massaal publiek te behagen. Het zegt natuurlijk ook niets over het kunnen van een schrijver als erkenning op grote schaal uitblijft. Dat ze het oorspronkelijk doen, met innerlijke gedrevenheid, is essentieel.

,,Dit verhaal had ik nodig om te vertellen waar ik vandaan kom. Wie ik ben.” Nyk de Vries doet de uitspraak in een pas in Dagblad van het Noorden gepubliceerd interview ter gelegenheid van het verschijnen van zijn nieuwe boek, Renger. Jarenlang woonde de Fries ‘om utens’ in Groningen, de stad van Jean Pierre Rawie en zijn overleden kameraad Driek van Wissen. En van Nanne Tepper en Gerrit Krol. En de onvolprezen Belcampo die er eveneens stierf. De Vries won in 2010 het stipendium dat naar deze meester van de absurditeit is vernoemd. En hij maakte hier muziek als hobbyrocker en ontpopte zich geleidelijk tot een gewaardeerd schrijver die ook nog eens de kunst verstaat indringend te performen.

In een vorige bundel, Motorman, staat het prozagedicht Het Familiehotel. De laatste woorden daarvan zijn steevast goed voor gegniffel. ,,Ik keek om me heen en zag welgeteld een vrouw die me opwond. Waarom toch? Waarom altijd het hoerige type?” Tegenwoordig woont hij in Amsterdam. En als de voortekenen niet bedriegen, treedt De Vries met zijn deels autobiografische roman, uitgegeven door het gerenommeerde De Arbeiderspers, toe tot het vaderlandse keurkorps van schrijvers.

Het was er bijna niet van gekomen. ,,Het was stoppen, of het beste maken dat ik nu in me heb.” Hoewel het jammer is dat de kleurrijke De Vries niet meer in Groningen woont, is het verheugend dat zo’n droogkomische figuur de marge ontstijgt en de vruchten van zijn volharding kan gaan plukken. Martin Bril zal tevreden zijn. Hij zei het immers eens: ,,Deze jongen draagt zijn teksten voor op eenzelfde manier als mijn moeder vroeger sprak en zoals ik het niet meer beheers.” Ik ga weer eens een boek lezen.

Foto van schrijver Nyk de Vries door Reyer Boxem.

Nieuwste